|
Naar een nieuw 'Cittaslow' monumentenbeleid [25-01-2010]
Inleiding
De gemeente Midden-Delfland kent - net als veel andere gemeenten in dit land - een gemeentelijk ‘monumentenbeleid’. Dit beleid heeft - evenals het rijksbeleid - tot doel, de bescherming van waardevolle gebouwen of andere ruimtelijke elementen vanuit (cultuur)historisch perspectief. De reden om een gemeentelijk monumentenbeleid meer profiel te geven, is dat er heel wat ruimtelijke elementen zijn die cruciaal zijn voor het handhaven van (ruimtelijke) kwaliteit en sfeer op lokale schaal, maar die niet scoren op een landelijk niveau. Daar gelden andere, meer objectieve, criteria om tot behoud of ondersteuning over te gaan. De bedoeling blijft natuurlijk wel dat een gebouw of object als ‘gemeentelijk monument’ wordt aangeduid (met alle afwegingen die daar bij horen) en dat er vervolgens ook daadwerkelijk sprake is van ‘bescherming’.
Eén van de lessen die we als Open-Groen-Progressief Midden-Delfland trokken uit de gang van zaken rond o.a. de Oude Veiling in Maasland is dat de huidige gemeentelijke regeling, in de praktijk niet echt blijkt te beschermen. Mede daarom stelt OGP Midden-Delfland voor om nu een monumentenbeleid te ontwikkelen dat monumenten beter beschermt en vooral goed verankert in hun omgeving. Daarmee wordt immers de identiteit van Midden-Delfland fors versterkt.
In onze gemeente hebben we twee soorten monumenten:
1. Rijksmonumenten
Rijksmonumenten hebben een stevige bescherming, zijn goed wettelijk omschreven en gedocumenteerd. Lokale ontwikkelingen kunnen die bescherming niet zo makkelijk ongedaan maken. Er kan echter wel een ontwikkeling optreden waarbij het monument weliswaar blijft bewaard, maar waarbij de omgeving dusdanig wordt veranderd, dat het gebouw niet meer past in zijn omgeving. Ook kan een verandering in het gebruik bij nader inzien toch niet passen bij de kenmerkende eigenheid van het gebied.
2. Gemeentelijke monumenten
Gemeentelijke monumenten hebben in principe een veel zwakkere bescherming in vergelijking tot Rijksmonumenten. De basis van deze bescherming is een gemeentelijke verordening. Als het gebouw of ruimtelijk element op de een of andere manier ‘in de weg’ komt te staan of een eigenaar wil zijn bezit om persoonlijke redenen (niet meer passend, financieel gewin etc.) slopen, dan kan de gemeente zelf besluiten om het gebouw alsnog af te voeren van de monumentenlijst en een verbouw- of sloopvergunning afgeven. Een adviesbureau dat daarbij wordt ingeschakeld om een onderbouwingsrapport te leveren, blijkt vaak niet zo ‘objectief’ als wenselijk zou zijn. En de gemeentelijke monumentencommissie kan wel een advies uitbrengen, maar dat is niet altijd bindend voor het bestuurlijke besluit.
Er tekent zich een wensbeeld af: wil een nieuw gemeentelijk monumentenbeleid echt bescherming bieden aan rijks- of gemeentelijke monumenten, dan moet dat verder ontwikkeld worden. Daarvoor zijn twee directe aanleidingen aan te geven:
1. De incidenten of concrete voorvallen, zoals de ‘Oude Veiling’-affaire, die grote maatschappelijk opwinding veroorzaken en maar moeizaam tot draagvlak leiden. Meestal levert zo’n ‘affaire’ vooral verliezers op.
2. Daarnaast speelt het veranderend gemeentelijk beleid, gekoppeld aan de nieuw verworven status van Midden-Delfland als Cittaslow-gemeente. Een belangrijk element van Cittaslow is immers het grote belang dat wordt gehecht aan de gemeentelijke cultuurhistorie. De gemeente wil de gebouwen en andere landschappelijke elementen waarin de geschiedenis is af te lezen, beschermen en belooft in het Cittaslow document de cultuurhistorische monumenten te zullen koesteren. Dat betekent dus dat ook vanuit deze visie belang wordt gehecht aan de ontwikkeling van een gemeentelijk monumentenbeleid dat uit meer bestaat dan een financiële regeling alleen om monumenten te bewaren en een blijvende functie te geven.
De waarde van een monument in de gemeente Midden-Delfland
Om te bepalen op welke wijze waardevolle historische ruimtelijke elementen beter kunnen worden beschermd, willen we eerst ingaan op de waarden die in het geding zijn bij een monumentenbeleid. Note: aan deze opsomming kan worden toegevoegd: de toekomstwaarde, dwz nieuwe functietoekenning dat past in de context van Cittaslow; gedoeld wordt in deze context op de Poortfunctie voor Midden-Delfland bij de Veiling
We onderscheiden drie soorten waarden van monumenten:
1. De directe (fysieke, ruimtelijke) waarde van het monument.
Uiteraard zijn veel monumenten op zichzelf al heel interessant. Een gebouw vertegenwoordigt een historische bouwstijl, verbeeldt een historische activiteit of is van buitengewone (en gerijpte) schoonheid. Datzelfde kan ook gelden voor een groenelement, bijvoorbeeld een heel oude boom, een haag of een verkavelingstructuur, of zelfs een boom die aan een bijzondere gebeurtenis herinnert (bezoek van een vorst of vorstin). Deze directe en indirecte waarden van een monument vormen tezamen in Midden-Delfland op dit moment de belangrijkste grond voor aanwijzing van een gebouw of landschapselement tot (gemeentelijk) monument.
2. Het monument en zijn passendheid in de omgeving (de ensemblewaarde).
Er is meer dan de directe waarde. Veel monumenten betekenen ook juist veel voor en in een bepaalde omgeving. Een monumentale boerderij komt bij voorbeeld pas volledig tot zijn recht in een open agrarisch landschap. Zo bleek rond de discussie over het behoud van de Oude Veiling dat de argumenten van de ‘behouders’ niet alleen om het gebouw te draaien, maar vooral om de hele plek rond de veiling (Vlieten, Kistenfabriek etc.). Omdat deze argumenten nogal door elkaar werden gebruikt, was de discussie soms behoorlijk verwarrend. Maar goed beschouwd gingen alle bezwaren tegen de sloop over déze Oude Veiling op déze speciale plek: aan de rand van Maasland, in de speciale setting van waterrijk Vlietland.
Op rijksniveau (op een grotere schaal) zien we deze discussie ook: De Hollandse Waterlinie is hierbij een goed voorbeeld. De losse forten, wallen en waterpartijen zijn vaak op zich heel aardige historische gebouwen, maar ze komen pas echt tot hun monumentale recht in het kader van de hele structuur van de Waterlinie. Daarom heeft de rijksoverheid uiteindelijk ook de hele Waterlinie tot monument verklaard.
Een sterk monumentenbeleid moet zich dus behalve op de aanwijzing van een gebouw of landschapselement vanwege de ‘fysieke’ cultuurhistorische waarde, ook baseren op de gehele omgeving waarin het monument een rol speelt. Daarmee wordt de cultuurhistorische waarde van een gebouw of landschapselement niet alleen in een wet of regeling verankerd, maar vooral ook in de ruimtelijke omgeving waarin het monument zijn waarde heeft gekregen.
3. Het monument dat een bijdrage levert aan de identiteit van mensen in de omgeving.
Een derde belangrijk element van de betekenis van een monument wordt gevormd door het belang dat een gebouw of landschapselement heeft voor de identiteit van de mensen in hun omgeving. Als we nog even het voorbeeld nemen van de Hollandse Waterlinie dan zeggen de forten, dijken en plassen van de Hollandse Waterlinie ons Nederlanders behalve de architectuur en de planning van onze verdediging ook veel over onze eigen geschiedenis. Over de manier waarop wij in het verleden onze vrijheid met hulp van water verdedigden (het Ontzet van Leiden, het ‘rampjaar’ 1672 en de nutteloosheid van de waterlinie in 1940). Het zegt iets over de binding van Nederland en de Nederlanders met water, maar ook over de offers die boeren toen al moesten brengen om de vrijheid van allen te waarborgen. Het besef over vroeger leidt tot meer gewetensvol omgaan met onze toekomst.
Terug naar de Oude Veiling: de discussie over de sloop van de Oude Veiling emotioneerde mensen. Niet alleen vanwege het gebouw, maar nog veel meer vanwege de herinnering aan de geschiedenis van de tuinbouw, de armoede op het platteland en de gemeenschapszin die ten grondslag lag aan de stichting van de coöperatieve veiling. Dat werd niet goed opgepikt: er was duidelijk bestuurlijke onbegrip over de ophef over zo’n ‘uitgewoond gebouw’. Bestuurders bleven hangen in hun onmacht of onwil om de ‘identiteitswaarde’ van de Oude Veiling voor mensen te verdisconteren.

Cultuurhistorie en monumentenbeleid gaan in werkelijkheid, zeker op lokaal niveau, in hoge mate over ‘verhalen’ van mensen, hun waarden en hun identiteit (wortels). Dat is een kenmerkend onderscheid van een gemeentelijk monumentenbeleid t.o.v een rijksbeleid. Een effectief gemeentelijk monumentenbeleid gaat dus niet alleen over de fysieke waarde van een monument en het monument ’in zijn omgeving’. Het gaat vooral ook over het monument in ‘de harten’ van de bewoners van de gemeente. De Cittaslow gedachte waaraan onze gemeente Midden-Delfland zich heeft verbonden, gaat daar ook van uit. De kunst is alleen om deze ‘hartenwaarde’ te vertalen in harde waarden.
Samen met de historische verenigingen kan de gemeente om te beginnen de verhalen en emoties rond de monumenten en cultuurhistorische plekken systematisch bundelen. Zo worden ze ‘hard gemaakt’ en kan de gemeente ze een plaats geven in toegankelijke archieven en publicaties. De gemeente zou op deze manier het gemeentelijk monumentenbeleid echt gaan ‘delen’ met de particuliere organisaties en de bevolking. Over mogelijke financiële consequenties moet natuurlijk wel nader gesproken worden.
Als een mogelijk uitvloeisel van het ontwikkelen van de ‘harten-functie’ van monumenten kan zelfs gedacht worden aan het ontwikkelen van vormen van ‘adoptie’ van monumenten, in de vorm van (vrijwillige) steun bij beheer en onderhoud van monumenten, het rondleiden in het monument door gidsen en vertellers, e.d. Daarmee wordt heel duidelijk dat een monument vooral een monument is, omdat er draagvlak voor is en dat een monument, voor alles een monument is in de ‘hoofden en harten’ van mensen.
Een nieuw monumentenbeleid in aanzet
Samenvattend kunnen voor een vernieuwd gemeentelijk monumentenbeleid de volgende speerpunten worden genoemd:
1. Continuering inventarisatie en bescherming.
Er wordt uiteraard doorgegaan met de inventarisatie en eerste wettelijke bescherming van gemeentelijke monumenten en cultuurhistorische landschappelijke elementen. Zonder goede basisbescherming blijft elke ontwikkeling een gevaar.
2. Toevoeging ‘ensemblewaarde’.
Aan de monumentenregeling wordt toegevoegd dat van elk rijks- en gemeentelijk monument in de gemeente Midden-Delfland een beschrijving van de (waarden van de) omgeving en de ‘ensemblewaarde’ wordt opgenomen in de officiële beschrijving van het monument. Een goed voorbeeld waar dit van belang is, is de discussie over de toekomst van ’t Woudt of wat ons betreft nog steeds een toekomst voor het Oude Veilingcomplex.
3. Openbaarheid en communicatie.
Deze ‘ensemblewaarden’ komen op een speciale gemeentelijke website over cultuurhistorie en monumenten. De gemeente werkt de komende jaren aan een systematische aanvulling van de beschrijving met de ‘ensemblewaarde’ voor alle al aangewezen monumenten in deze gemeente.
4. Vastleggen van de identiteit.
Samen met de (cultuur)historische verenigingen werkt de gemeente aan het vastleggen van de identiteit die elk monument aan de gemeente Midden-Delfland, de kernen, de directe omgeving en betrokken mensen geeft.
5. Vaststellen van een kader voor opslag van informatie en toegankelijkheid.
De gemeente stelt zich verantwoordelijk voor een kader waarin de verhalen en identiteiten kunnen worden vastgelegd en bewaard. Het daadwerkelijk ontwikkelen gebeurt zoveel mogelijk in samenwerking met particuliere organisaties.
6. In vizier krijgen van betrokkenen.
Er wordt in kaart gebracht wie er met erfgoed en geschiedenis bezig zijn: historische verenigingen, amateurarcheologen, musea,maar ook betrokken eigenaren, liefhebbers en ‘oud’-Midden-Delflanders.
7. Gebruik maken van lokale verenigingen en individuen.
In veel gevallen zal de invulling plaats kunnen hebben door onder 6 genoemde lokale verenigingen en individuen. In bijzondere gevallen kan de gemeente zelf een actieve rol spelen bij het vastleggen van de identiteit van belangrijke cultuurhistorische elementen.
8. ‘Adoptie’ van monumenten.
Vormen van ‘adoptie’ van monumenten worden gestimuleerd en, via speciale steun aan deze vrijwilligersactiviteiten, bevorderd.
9. Kansenkaart van binnenkort leegkomende gebouwen.
Een kansenkaart van binnenkort leegkomende gebouwen wordt samengesteld waarbij tijdig wordt nagedacht over herbestemming ervan.
10. Monumenten en Ruimtelijke Inrichting.
Monumenten worden op een goede manier in de plaatselijke ruimtelijke ordening ingepast. De werkwijze die is gevolgd bij de totstandkoming van het LOP is een goed voorbeeld. Binnenkort komt er trouwens een aanpassing van de Monumentenwet, die hieraan bijdraagt.
Slot
Dit nieuwe, ‘bredere’ en meer omvattende monumentenbeleid kan de monumenten in onze gemeente de juiste plaats geven die ze het best beschermt, in de harten van mensen, in de filosofie van Citttaslow en waar nodig in een effectieve planologisch-juridische bescherming. Bovendien geeft het houvast om een monument een robuuste toekomstfunctie te geven, waarmee onderhoud en exploitatie ook financieel kunnen worden gedekt.
Geen toekomst zonder wortels, geen monumenten zonder toekomst.
| Er zijn nog geen reacties op dit bericht |
|
Terug naar nieuwsoverzicht |